“Kan de omvang van de schade niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan wordt zij geschat.” Dat is de tweede volzin van art. 6:97 BW. Als het gaat om de schade die het slachtoffer in de toekomst lijden gaat, zijn we per definitie op schatten aangewezen. Hoe zal de gezondheidstoestand van het slachtoffer zich in de toekomst ontwikkelen? Zal hij weer kunnen werken? De onderhandelingen van partijen moeten erop gericht zijn dat het slachtoffer in de toekomst weer kan werken. Voor LechnerConsult is het herstel van het slachtoffer een belangrijk speerpunt, dus ook de reïntegratie in zijn werk.

 

Maar soms lukt het het slachtoffer nu eenmaal niet om weer aan het werk te komen door zijn gezondheidsklachten. En soms weten we ook niet waarom het slachtoffer geïnvalideerd blijft. Recent was er een voorbeeld in de rechtspraak. Een 27-jarige magazijnmedewerker krijgt in 1995 en 1996 twee keer een object uit een magazijnstelling op zijn hoofd. Na de tweede keer blijft hij ziek. De werkgever is aansprakelijk. De deskundigen kunnen niet begrijpen, waarom de man niet herstelt. Ze zouden dat kunnen begrijpen als ze hersenletsel aan kunnen tonen, maar daar slagen ze nu juist niet in. Een neuropsycholoog concludeert dat de man een “ongedifferentieerde somatoforme stoornis” heeft. Dat is een stoornis waarbij iemand lichamelijke klachten ontwikkelt zonder dat daar een medische reden voor gevonden kan worden. Deze “ongedifferentieerde somatoforme stoornis” (OSS)* is niet alleen voor de slachtoffers, maar ook in de schaderegeling een zeer groot probleem. Heel vaak ontkennen aansprakelijke partijen of hun verzekeraars dat deze stoornis door het ongeval wordt veroorzaakt. Het is echter vaste rechtspraak dat als de deskundigen kunnen vaststellen dat de klachten reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn, de gevolgen van de klachten toch in aanmerking komen voor vergoeding van de schade, als iemand anders aansprakelijk is. Dus ook als iemand door die klachten niet meer kan werken.

 

In de zaak van de magazijnmedewerker erkende de werkgever dat de OSS was ontstaan door het ongeval. Voor het ongeval had de man er immers geen last van. Maar de werkgever voert een ander verweer: doordat de man bij een relatief gering letsel het beeld OSS ontwikkelt, is het waarschijnlijk dat hij zonder ongeval bij een andere geringe aanleiding ook dat ziektebeeld ontwikkeld zou hebben. De deskundigen weten met dat verweer niet zo goed raad, maar zij geven toe dat het niet “uit te sluiten” is dat de werkgever gelijk heeft. En die opmerking is voor het Hof Den Bosch weer aanleiding om de periode waarover het verlies arbeidsvermogen berekend moet worden te beperken tot 55 jaar.** Het hof gaat ervan uit dat zich in het leven van de man tot aan zijn 55e jaar een aanleiding voorgedaan zou hebben, waardoor de man een OSS ontwikkeld zou hebben die hem arbeidsongeschikt had gemaakt. Dat zou een ongeval kunnen zijn, maar ook een “life event” zoals een scheiding of een overlijden.

 

De magazijnmedewerker stelt beroep in cassatie in. De Hoge Raad maakt korte metten met de redenering van het hof en vernietigt de uitspraak.*** Zonder nadere motivering is die uitspraak niet te begrijpen, oordeelt de Hoge Raad, het hof voert namelijk geen enkele omstandigheid aan waardoor aannemelijk is dat de man zonder ongeval bij een andere stressvolle omstandigheid ook een OSS ontwikkeld zou hebben. Dat de deskundigen opmerken dat dat niet is “uit te sluiten”, is niet genoeg om dat ook bewezen te achten en daar gevolgen aan te verbinden, oordeelt de Hoge Raad. En daar valt aan toe te voegen: we kunnen nu eenmaal niets uitsluiten in dit leven, zoals de laatste tijd maar al te vaak blijkt.

 

mr. C.A.M. Roijackers

 

*) Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Ongedifferentieerde_somatoforme_stoornis

**) Hof Den Bosch 10 juni 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:1715.

***) Hoge Raad 27 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3397.

Geef een reactie