Een wortelkanaalbehandeling, gecompliceerd al voor de daadwerkelijke start

Een 26-jarige vrouw meldt zich bij haar huistandarts met een sinds twee dagen durende zeer heftige kiespijn.

De gehele rechter gezichtshelft is zeer pijnlijk en deze pijn is niet te onderdrukken met normale pijnstillers. De tandarts stelt de diagnose op pulpitis (wortelkanaalontsteking) van de eerste grote kies in de rechter bovenkaak, zijnde de 16. De tandarts start de endodontische behandeling maar de uitvoering is lastig, omdat twee van de vier wortelkanalen slecht toegankelijk zijn, wegens obliteratie (dichtgegroeid zijn).

Twee dagen nadien meldt de patiënte zich wederom in de praktijk met nog steeds veel pijn. De huistandarts besluit mevrouw door te verwijzen naar een tandarts-endodontoloog. Deze maakt ook van de rechter onderkaak een foto en constateert, dat de eerste grote kies in de rechteronderkaak, zijnde de 46, een ontsteking vertoont en doet een wortelkanaalbehandeling in deze precies tegenover de 16 gelegen 46. Mevrouw is daarna van de pijn af en blijkbaar heeft de endodontoloog aan de patiënte gesuggereerd, dat de behandeling van de 16 door de huistandarts onnodig was. Patiënte boos op de huistandarts en dient een klacht in via de klachtenregeling van de KNMT.

Als lid van een Regionale Bemiddelings Raad van de KNMT kreeg ik dit dossier ter bemiddeling aangeboden.

In het gesprek met de patiënt bleek haar eis simpel, de behandelkosten van € 600,– wilde ze terugbetaald hebben van de huistandarts. Er was geen eis van vergoeding van iatrogene schade.

De huistandarts voelde niets voor een lange juridische procedure en vele slapeloze nachten (een klacht heeft een bijzonder grote impact op een serieus werkende zorgverlener, patiënten hebben hier vaak geen idee van) en ging akkoord met de eis van de patiënt. Voor mij een vlotte bemiddeling met snel resultaat.

Stel nu, dat het wel tot een procedure was gekomen. De vraag van een jurist zou zijn of de huistandarts een foute diagnose had gesteld, deze fout voorkomen had kunnen worden en of er sprake was van verwijtbaar handelen?

Analyse van de feiten: in het beginstadium van een pulpitis is de pijn bijzonder heftig, slecht te lokaliseren en nog niet zichtbaar op de röntgenfoto. Truc is via proefanaesthesie er proberen achter te komen, wat het oorzakelijk gebitselement is. Lukt dit niet, dan de patiënt naar huis sturen met extra sterke pijnstilling en twee dagen later terug laten komen. Meestal is dan het oorzakelijk element goed aan te wijzen en wordt voldaan aan het principe “geen behandeling zonder sluitende diagnose”.

Maar zat de huistandarts fout met zijn diagnose? Ja en nee. De 16 vertoonde obliteratie hetgeen bij een jonge patiënt wijst op pathologie. Het was voor de endodontoloog relatief makkelijk, die zag immers mevrouw een aantal dagen later en dan is er pathologie op de röntgenfoto ingeval van pulpitis zichtbaar en stelde dus vast dat de 46 de problematische kies was. Had hij gelijk, waarschijnlijk ja en nee. Inderdaad de 46 gaf pijn. Maar als de huistandarts niet de 16 maar de 46 als eerste was gaan behandelen was waarschijnlijk de patiënte ook niet van de pijn af geweest.

Waarom? Zowel de 16 als de 46 waren bijna gaaf. De reden, dat toch pulpitis ontstaat is het zgn. cracked tooth syndroom. Een barst in een kies op microscopisch niveau als gevolg van bijvoorbeeld het beruchte steentje in een krentenbrood. Twee tegen over elkaar liggende kiezen zijn dan meestal het slachtoffer, in dit geval de 16 en 46.

Conclusie: de huistandarts had geen foute diagnose gesteld maar een halve diagnose. De endodontoloog had te snel en te negatief geoordeeld. Was het terecht, dat de huistandarts € 600,– heeft terugbetaald aan de patiënt?

 

Menno Schotman, tandarts, tandheelkundig adviseur

Geef een reactie